Gabriel Urbain Fauré (Pamiers, 12 mei 1845 – Parijs, 4 november 1924) was een van de belangrijkste Franse componisten van zijn generatie, samen met zijn jongere tijdgenoten Claude Debussy en Maurice Ravel. Fauré is bekend om zijn pianomuziek, kamermuziek en liederen. Tevens heeft hij de Franse religieuze muziek vernieuwd – het Requiem behoort tot zijn bekendste werken. Ook opera’s behoren tot zijn oeuvre, maar die hebben geen repertoire gehouden.

| Cantique de Jean Racine | ||
|---|---|---|
| Jean Racine, 17e-eeuws portret door J.-B. Santerre | ||
| Componist | Gabriel Fauré | |
| Soort compositie | koorwerk | |
| Gecomponeerd voor | koor en orgel (of piano) | |
| Toonsoort | Des-majeur | |
| Compositiedatum | 1865 | |
| Oeuvre | Composities van Fauré | |
Levensloop
Fauré studeerde aan de kerkmuziekschool van Louis Niedermeyer in Parijs, waar onder anderen Camille Saint-Saëns een van zijn leraren was, waarna hij organist werd, eerst in Rennes en later in verscheidene Parijse kerken. In 1897 werd hij docent compositie aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs en in 1905 directeur van dit instituut.
Hij was jarenlang verbonden aan de Parijse Madeleinekerk, eerst als koordirigent, daarna van 1896 tot 1905 als organist-titularis. Hij schreef er onder meer zijn Requiem, dat tot zijn meest uitgevoerde werken behoort. De compositie is opgebouwd rond het overbekende Pie Jesu. In de keuze van de teksten voor zijn requiem was hij kieskeurig. De hardste woorden, met name het ‘Dies Irae‘ (dag des oordeels) liet hij weg. Zijn opvattingen over de dood waren niet gitzwart. “Het is een vreugdevolle bevrijding, een verlangen naar geluk aan de andere kant van het graf, eerder dan een pijnlijke ervaring”. Die hoopvolle, harmonische toon is in zijn Requiem duidelijk merkbaar.
Stijl
In zijn composities zocht hij naar een evenwicht tussen romantische gevoeligheid en strenge compositieregels om te komen tot een eigen stijl, een compromis tussen muzikale taal en vormgeving.
De thematiek, melodiek en harmoniek van het gregoriaans hielp hem zijn gevoel voor romantische hopeloosheid en overdaad te bedwingen. Zijn muziek is vooral ingetogen en fijnzinnig. Hij schreef vooral voor kleine bezettingen.
Composities (selectie)
Werken voor orkest
- Ballade in Fis-groot voor piano en orkest (1881), op. 19 (oorspronkelijk voor piano solo)
- Pavane op. 50 (1887)
- Pelléas et Mélisande orkestsuite, op. 80 (1898)
- Prelude
- Fileuse
- Sicilienne
- Mort de Mélisande
- Fantaisie G-groot voor piano en orkest (1918), op. 111
- Masques et Bergamasques orkestsuite, op. 112 (1919)
- Elégie voor cello en orkest
- Intégrale voor orkest
Werken voor harmonieorkest
- Chant funéraire op. 117
Missen en geestelijke muziek
- Messe de Requiem op. 48, voor sopraan, bariton, gemengd koor en orkest (1888; versie voor groot orkest, 1899)
- Cantiques, waaronder Cantique de Jean Racine voor gemengd koor en orgel (1864; versie met orkest 1875)
- Messe brève avec orgue (1907)
Achtergrond Cantique de Jean Racine
Cantique de Jean Racine (Op. 11) is een compositie voor gemengd koor en piano of orgel door Gabriel Fauré. Geschreven in de toonsoort Des-majeur door de toen negentienjarige componist in 1864-’65. Met het stuk won Fauré de eerste prijs, toen hij afstudeerde aan de ‘École Niedermeyer‘ te Parijs. Het werd voor het eerst uitgevoerd in het daarop volgende jaar op 4 augustus 1866, begeleid door strijkers en orgel. Het werd voor het eerst gepubliceerd rond 1875 of 1876 (Schoen, Parijs, als onderdeel van de serie ‘Echo des Maîtrises’) en verscheen later in een versie voor orkest, (mogelijk van Fauré zelf) in 1906. De begeleiding is vaker bewerkt, onder meer voor strijkers en harp door John Rutter.
De tekst, “Verbe égal au Très-Haut”, is een parafrase van Jean Racine (Hymnes traduites du Bréviaire romain, 1688) van de pseudo-ambrosiaanse hymne voor dinsdag in de metten, Consors paterni luminis.
Over de muziek
Het werk is origineel voor vierstemmig gemengd koor (SATB), maar ook bewerkingen voor bijvoorbeeld mannenkoor bestaan. De tempo-aanduiding is andante.
De melodie opent in de begeleiding met:

Dit thema wordt omspeeld door een begeleiding in triolen die het gehele werk doorgaat. De melodie wordt met kleine ritmische variaties in de inzet van de mannenstemmen overgenomen:

Daarna zetten een voor een de andere stemmen van laag naar hoog in. Deze eerste sectie is quasi-polyfoon geschreven, de stemmen zetten na elkaar in, maar ondersteunen wat volgt, direct in homofone stijl. Er volgt een tussenspel met de hoofdmelodie op een lagere toonhoogte, terwijl de begeleiding juist hoger is dan eerder. In het midden (Répands sur nous) wordt de zetting homofoon, er wordt nu in akkoorden gezongen, met later (Dissipe le sommeil en qui la conduit) polyfone trekken. Na deze opvallende stretto-passage keren direct, nu zonder tussenspel, in de derde strofe (O Christ,..) melodie en structuur van het begin terug. De slotzin (et de tes dons) wordt tweemaal gezongen en klinkt ter afronding een derde maal als een coda in een steeds langzamer wordend ritme. Daaromheen brengen de verkorte tussenspelen nog eens het beginthema in herinnering.
Tekst
