Abschied vom Walde.

“Abschied vom Walde” is oorspronkelijk een gedicht geschreven door  Joseph von Eichendorff. Felix Mendelssohn heeft het gecomponeerd voor vier a capella stemmen. Het lied is onderdeel van opus 59, een 6 tal liederen met ondertitel “Im Freien zu singen”. Van deze 6 liederen werd “Abschied vom Walde” populair en werd het dan ook als Volkslied beschouwd.

Eichendorff schreef het gedicht waarschijnlijk in oktober 1810 voordat hij naar Wenen vertrok, waar hij zijn juridische examens wilde afleggen bij zijn broer Wilhelm. Het beschreven afscheid is daarom zijn eigen afscheid van zijn geboortekasteel Lubowitz en de bijbehorende landen, waar de broers hun jeugd hadden doorgebracht. Dit is vooral duidelijk in een vroeg manuscript, waarin het gedicht nog steeds de titel An den Hasengarten draagt, wat verwijst naar een deel van het kasteelpark vanwaar men kon uitkijken over de Oder en de aangrenzende bossen.

Mendelssohn componeerde zijn liederen voor vier gemengde stemmen tijdens de zomermaanden, die hij met zijn gezin in Frankfurt of op de wijngaard van zijn oom in Horchheim doorbracht. [1] Hij componeerde drie sets “lm Freien zu singen” van elk zes liederen in 1837 tot 1843. 

Interpretatie van het Lied.

In “Abschied vom Walde” schetst Eichendorff een beeld van het bos als een idyllisch toevluchtsoord dat contrasteert met de rusteloze en rusteloze wereld. Deze tweedeling begint al in de eerste strofe, waarin het “prachtige, groene bos”wordt geprezen in een euforische en personificerende groet, als een lofzang. Dit effect wordt ondersteund door het gebruik van  “O valleien breed, o hoogten / O mooi, groen bos”. Als een “groene tent” functioneert het bos als het ware een schuilplaats die onaangetast blijft door de hectische drukte van de “drukke wereld” en zelfs het “sombere aardse lijden” verjaagt.

Het stelt het lyrische ego in staat om over zijn eigen emoties te reflecteren, zowel mooi als onaangenaam (“Lust und Wehen”, deel 3). Het feit dat dit niet alleen geldt voor het lyrische zelf zelf, maar voor ieder individu, wordt duidelijk door de directe aanspraken van de lezer in de tweede strofe. Met het derde couplet neemt de euforie af, wordt de stemming bedachtzamer. Het bos herinnert het lyrische ego aan “goed doen en liefhebben”, zijn oorsprong en zijn waarden. Op deze manier biedt hij steun en oriëntatie, zijn boodschap is “onuitsprekelijk duidelijk” voor het lyrische ego.

Het naderende afscheid zelf wordt pas in het vierde couplet behandeld. Het wordt gekenmerkt als een vertrek naar het stedelijke onbekende, waarin “het schouwspel van het leven” wordt onthuld. De “kleurrijke steegjes” staan in contrast met de stille natuur en symboliseren de sociale verplichting die het zelf als “vreemd” waarneemt. Toch geeft de herinnering aan het (thuis)bos de lyrische zelfsteun, zelfs in deze vreemde wereld, zodat zijn “hart niet oud” is en beschermd wordt tegen het gehaaste, onechte leven in de stad.

Het Lied

Abschied vom Walde Afscheid van het bos
1. O Täler weit, o Höhen, o schöner grüner Wald,
du meiner Lust und Wehen andächtger Aufenthalt!
Da draussen, stets betrogen, saust die geschäftge Welt,
schlag noch einmal die Bogen um mich, du grünes Zelt.

2. Wenn es beginnt zu tagen, die Erde dampft und blinkt,
die Vögel lustig schlagen, dass dir dein Herz erklingt:
da mag vorgehn, verwehen das trübe Erdenleid,
da sollst du auferstehen in junger Herrlichkeit!

3. Im Walde steht geschrieben ein stilles ernstes Wort
vom rechten Thun und Lieben und was des Menschen Hort.
Ich habe treu gelesen die Worte schlicht und Wahr,
und durch mein ganzes Wesen ward’s unaussprechlich klar.

4. Bald werd’ich dich verlassen, fremd in die Fremde gehn,
auf bunt bewegten Gassen des Lebens Schauspiel stehn.
Und mitten in dem Leben wird deines Ernst’s Gewalt,
mich Einsamen erheben, so wird mein Herz nicht alt.
1. O lommerrijke zomen, o dierbaar stukje grond,
waar mijn verdriet kon wonen, mijn vreugd’ een echo vond.
Hierbuiten, geen erbarmen, raast zich de wereld voort.
Wil mij voor ’t laatst omarmen, o groen en zuiver oord.

2. Wanneer het daglicht begint, stoomt en flitst de aarde,
de vogels slaan vrolijk zodat je hart klinkt:
laat het sombere aardse verdriet verdwijnen,
en je zult weer opstaan in jonge glorie!

3. Het woud vertelt verhalen, in woorden klaar en rein,
van ’s mensen idealen, hoe ’t leven dient te zijn.
Ik zal de woorden achten van deze wijze wet
en altijd trouw betrachten wat is uiteengezet.

4. Nu moet ik je verlaten, als een ontheemde gaan.
Door bontbevolkte straten verloopt mijn levensbaan.
Maar zo ik dreig te zwichten, dan zal jouw grootse pracht
mijn eenzaamheid verlichten, zo houdt mijn hart zijn kracht.

Couplet 2 zingen wij niet.

Meer achtergrond is te vinden op:

https://en.wikipedia.org/wiki/Sechs_Lieder,_Op._59_(Mendelssohn)   https://nl.wikipedia.org/wiki/Felix_Mendelssohn_Bartholdy